
Een gepensioneerde Nederlander in Duitsland kan gedeeltelijke aftrekposten krijgen op basis van Unierecht, ondanks dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor kwalificerende buitenlandse belastingplicht.
Een echtpaar, in gemeenschap van goederen gehuwd, woont in 2015 in Duitsland. De man ontvangt in 2015 € 32.139 aan uitkeringen uit Nederland, waaronder AOW en pensioen. Op het pensioen is € 1.998 aan Nederlandse loonheffing ingehouden. De vrouw heeft een inkomen van € 18.213, dat volledig in Nederland is belast. De man stelt in zijn aangifte inkomstenbelasting dat 39,45% van zijn pensioen niet in Nederland is belast. Verder claimt hij negatieve inkomsten uit eigen woning, specifieke zorgkosten en giftenaftrekken. Maar de inspecteur weigert deze aftrekken, omdat de man volgens hem geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. De man gaat in bezwaar tegen de weigering van de aftrekposten. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaart zijn beroepschrift echter ongegrond. Zie NTFR 2021/1983 en ‘Naar Duitsland verhuisd echtpaar geen recht op aftrekposten’. Daarop gaat de man in hoger beroep en brengt de zaak voor hof Den Bosch.
Pensioen niet deels in Duitsland belast
Eerst gaat het hof in op de stelling van de man dat zijn pensioen uit Nederland deels in Duitsland is belast. Dit zou zo kunnen zijn als dit pensioen volledig als privaatrechtelijk zou kwalificeren. Maar de man kan dit niet aannemelijk maken. Zijn enkele stelling dat sprake is van een privaatrechtelijk pensioen gezien de rechtsvorm van de voormalig werkgever, is daarvoor niet voldoende. Daarom blijft de aanslag op dit punt gehandhaafd.
Stappenplan
Vervolgens is de vraag aan de orde of de man aftrekposten kan opvoeren. Deze kwestie brengt het hof ertoe om dieper in te gaan op de zogeheten Europeesrechtelijke Schumacker-rechtspraak. Deze rechtspraak roept veel vragen op. Het hof probeert deze vragen op te lossen in een bijlage van zijn uitspraak. Uiteindelijk komt het hof met de volgende te doorlopen stappen:
- Geniet de belastingplichtige 90% of meer van zijn wereldinkomen buiten de woonlidstaat en wordt in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis genoten? Zo ja, dan moet men in de werklidstaat de volledige tegemoetkomingen in aanmerking nemen. Anders gaat men naar de volgende stappen.
- Kan de woonlidstaat in voldoende mate rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie? Zo ja, dan hoeft de werklidstaat geen rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie.
- Als de woonlidstaat onvoldoende rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie, moet de werklidstaat deels tegemoetkomingen verlenen.
- De door de werklidstaat te verlenen tegemoetkoming wordt begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in vergelijkbare omstandigheden verschuldigd zou zijn.
Aftrekposten en Unierecht
Ten slotte past het hof deze stappen toe in deze zaak. Het hof stelt vast dat de man en zijn echtgenote in gemeenschap van goederen zijn gehuwd en dat de eigen woning gezamenlijk eigendom is. De echtgenote is een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, maar de man niet. Hierdoor zijn zij voor de toepassing van de Wet IB 2001 niet als partners aan te merken. Het hof oordeelt dat Nederland als werklidstaat gedeeltelijk tegemoetkomingen moet verlenen op basis van het Unierecht. De man krijgt een gedeeltelijke aftrek voor negatieve inkomsten uit eigen woning, specifieke zorgkosten en giften, berekend naar rato van zijn belastbare inkomen in Nederland.
Wet: art. 2.17, vierde lid en 7.8, zesde en achtste lid Wet IB 2001
Besluit: art. 21bis Uitv besl IB 2001
Geef een reactie