
In het commissiedebat van 19 maart 2025 over box 3 is aandacht gevraagd voor de belastingdruk bij verhuurders van onroerende zaken in box 3. Staatsecretaris Van Oostbruggen stuurt de Tweede Kamer een brief hoe verschillende besproken verzachtende opties uitwerken.
Aanleiding is voorgenomen verhoging van het forfait op overige bezittingen in de jaren tot de beoogde invoering van het stelsel op basis van werkelijk rendement per 1 januari 2028. De volgende opties zijn besproken:
- Het forfait voor overige bezittingen niet of slechts gedeeltelijk verhogen in 2026 en 2027;
- Kostenaftrek mogelijk maken in de tegenbewijsregeling in 2026 en 2027;
- Het actualiseren van de leegwaarderatiotabel.
Het forfait voor overige bezittingen niet of slechts gedeeltelijk verhogen in 2026 en 2027
De onderzochte opties zijn geen of minder verhoging forfait. In beide gevallen is vooral sprake van een budgettaire tegenvaller. De berekeningsmethodiek van het forfait hoeft niet te worden gewijzigd. Tegenbewijs kan worden geleverd op basis van het Wetsvoorstel tegenbewijsregeling box 3.
Kostenaftrek mogelijk maken in de tegenbewijsregeling in 2026 en 2027
De onderzochte varianten zijn werkelijke kostenaftrek, forfaitaire kostenaftrek en kostenaftrek alleen voor onroerende zaken. Een werkelijke kostenaftrek kan in het wetsvoorstel worden opgenomen al zal de afbakening tot nieuwe discussies leiden. Een forfaitaire kostenaftrek leidt tot een nieuw juridisch risico omdat dit via een forfait wordt vormgegeven. Beide kostenaftrekken vergen een structuuraanpassing in het ICT-systeem wat consequenties heeft voor het invoeren van de Wet werkelijk rendement box 3. Ook is sprake van een budgettaire tegenvaller. Voor het mogelijk maken van kostenaftrek alleen voor onroerende zaken is geen goede fiscaal-juridische onderbouwing mogelijk en is daarmee juridisch onhoudbaar.
Het actualiseren van de leegwaarderatiotabel
De huidige tabel van de leegwaarderatio is per 2023 geactualiseerd. Het hanteren van een andere leegwaarderatio-tabel kan alleen na nieuw onderzoek. De uitkomsten van dit onderzoek zijn niet vrijblijvend en kunnen zowel leiden tot verhoging of verlaging van de leegwaarderatio.
Belastingplichtigen kunnen nu ook al een lagere waarde hanteren dan de waarde berekend aan de hand van de leegwaarderatio wanneer de waarde in het economische verkeer ten minste 10% lager is. Als de volgens de leegwaarderatio berekende waarde van de verhuurde woning 10% of meer hoger is dan de waarde in het economische verkeer van die woning, wordt volgens de Hoge Raad niet voldaan aan de doelstelling van de wetgever, te weten een zo goed mogelijke benadering van de waarde in het economische verkeer waarbij rekening wordt gehouden met de verhuurde staat van een woning. Daarom moet in dat geval worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer van de verhuurde woning op de WOZ-waardepeildatum in plaats van uit te gaan van de volgens de leegwaarderatio berekende waarde.
Mocht uit onderzoek blijken dat de leegwaarderatio verlaagd dient te worden, dan zal een aanpassing van de leegwaarderatio direct aangrijpen op de groep box 3-beleggers die actief is op de huurmarkt.
Eén van de voorwaarden van ontvangst van HVP-middelen is dat maatregelen die in dat plan zijn opgenomen niet worden teruggedraaid, bij de leegwaarderatio in ieder geval niet vóór 1 januari 2027. Het terugdraaien van HVP-maatregelen gedurende de looptijd van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF) is niet toegestaan. Dit betekent dat het terugdraaien van de afspraken rond de leegwaarderatio kan leiden tot een korting die kan oplopen tot €600 miljoen. Nederland maakt in totaal aanspraak op € 5,4 miljard uit de HVF.
Geef een reactie