
De Kennisgroep formeel recht heeft de vraag beantwoord wanneer de redelijke termijn aanvangt voor een verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte als bedoeld in artikel 67a AWR.
De inspecteur heeft belastingplichtige op 28 februari 2024 uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting 2023 vóór 1 mei 2024. Na het ongebruikt verstrijken van deze termijn, heeft belastingplichtige met dagtekening 26 juni 2024 een herinnering tot het doen van aangifte ontvangen.
Omdat de aangifte nog steeds niet was ingediend, heeft de inspecteur op en met dagtekening 20 september 2024 ambtshalve een aanslag inkomstenbelasting 2023 vastgesteld. Tegelijkertijd heeft de inspecteur bij beschikking een verzuimboete als bedoeld in artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgelegd wegens het niet, dan wel niet tijdig, doen van aangifte. Deze verzuimboetebeschikking staat op het aanslagbiljet vermeld. Naast voorgaande berichten zijn er verder geen contacten tussen de inspecteur en belastingplichtige geweest. Nadat het bezwaar van belastingplichtige tegen de verzuimboetebeschikking ongegrond was verklaard, heeft belastingplichtige beroep ingesteld.
De inspecteur wil, vanwege de verschillende oordelen in de lagere rechtspraak, weten op welk moment de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) aanvangt in deze standaardsituatie.
Vraag
Wanneer vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM aan in de standaardsituatie dat een verzuimboete is opgelegd omdat een belastingplichtige, hoewel daartoe te zijn uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, niet of niet tijdig aangifte heeft gedaan?
Antwoord
De redelijke termijn vangt aan op de datum van dagtekening van de verzuimboetebeschikking.
Geef een reactie